Afgelopen week bleek dat vier op de tien bestuurders in de thuiszorg meer verdineen dan de minister-president. Dit terwijl de medewerkers sinds de invoering van de Wmo steeds minder verdienne en er grootschalige bezuinigingen zijn. De SP heeft daarom voorgesteld harde grenzen te stellen aan het salaris van de thuiszorgbestuurders. Helaas vraag ik me wel af of de voorgestelde oplossing werkt: instellingen die hun bestuurders meer betalen dan de Balkenendenorm, moeten hun vergunning kwijtraken. Hierdoor loop je, lijkt mij, alleen het risico dat de cliënten nog meer de dupe worden dan ze al waren. Inmiddels blijkt wel dat het idee door een kamermeerderheid wordt gesteund.
Archief voor Thuiszorg
Grote fusie in de zorg
De Tweede Kamer wil dat minister Vogelaar de fusie tussen Philadelphia (instelling voor gehandicaptenzorg), Evean (thuiszorg) en WoonZorg Nederland (woningbouwcorporatie) tegenhoudt. Zij is de enige die dit kan doen, omdat zij de statutenwijzigign van WoonZorg moet goedkeuren. Maar waarom wil de Tweede Kamer dat de fusie niet doorgaat?
Ik snap op zich dat de Kamer bang is voor een (bijna) monopolie, omdat de nieuwe organisatie dan verreweg de grootste van Nederland zou worden. Als je zo groot bent, kun je de prijs hoog houden en slechte kwaliteit van zorg leveren zonder dat gemeenten of cliënten om je heen kunnen. Daarnaast is er het risico dat de organisatie alleen maar bureaucratischer wordt. Op zich zou ik de regering eerder aanraden wat van de ingewikkelde regeltjesbende te schrappen, als ze dan van de bureaucratie af willen, want dat kost alleen cliënturen, maargoed.
Het argument dat de organisaties aanvoeren, is dat de cliënt dan voor wonen en zorg bij hetzelfde loket terecht kan. Ja, als die organisatie toevallig de zorg biedt die de cliënt nodig heeft. Toen ik nog bij Philadelphia woonde, in het trainingshuis, hoorde ik als argument dat de organisatie dan meer in de melk te brokkelen heeft bij de politiek. Lijkt me eerder reden voor samenwerking dan fusie: als heel veel zorgorganisaties met zijn allen tegen een onzinnig wetsvoorstel van de politiek protesteren, heeft dat meer invloed dan als één mega-organisatie dat doet. Dat wekt dan eerder de indruk dat de organisatie het voor zijn eigen belangen doet.
Dan nog vind ik het vreemd dat de conclusie automatisch getrokken wordt dat een grote organisatie slecht is voor de cliënt. Je hebt op zo’n manier wel een grotere kans dat zorgprofessionals met elkaar beter samenwerken, omdat ze tot dezelfde organisatie behoren. Krijg je niet meer die waanzin dat de woonbegeleider iemands verzorging moet doen omdat de thuiszorg het af laat weten. Mag je hopen tenminste. Maar ik persoonlijk voel meer voor intensieve samenwerking dan fusie. Dan houdt de cliënt tenminste de keuzevrijheid, maar wordt de afstemming van zorg wel beter geregeld.
Vrijheidsbeperkende interventies in de thuiszorg
Een paar dagen geleden stuitte ik op een rapport over het toepassen van vrijheidsbeperkende interventies in de thuiszorg (De Veer et al., 2006). Vrijheidsbeperkingen in de thuissituatie waren in ieder geval toen niet gereguleerd middels de Wet BOPZ, die alleen geldt voor psychiatrische ziekenhuizen, psychogeriatrische afdelingen in verpleeg- en verzorgingshuizen en intramurale instellingen voor verstandelijk gehandicapten. Ten tijde van het rapport had de staatssecretaris voor VWS een plan om de BOPZ te wijzigen, zodat hierin ook vrijheidsbeperkende maatregelen die worden toegepast in de thuiszorg, konden worden geregeld. Vooruitlopend hierop deden de auteurs onderzoek naar het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen door medewerkers in de thuiszorg. Het blijkt dat deze maatregelen, zoals het plaatsen van bedhekken, het op slot doen van de huisdeur, het beperken van de bewegingsvrijheid door de cliënt bijvoorbeeld in een diepe stoel te plaatsen, en het gedwongen of gecamoufleerd toedienen van medicatie, veelvuldig worden toegepast door verpleegkundigen en verzorgenden. Vaak gebeurt dit in opdracht van de vertegenwoordiger van de cliënt of uit eigen initiatief van de verzorgende of verpleegkundige, dus zonder tussenkomst van een arts (uitzondering hierop vormt het gedwongen of gecamoufleerd toedienen van medicatie). Daarnaast blijkt dat relatief weinig verpleegkundigen of verzorgenden de maatregelen die ze treffen, als vrijheidsbeperkend ervaren.
In de nieuwe regeling zou alleen een arts mogen besluiten tot het treffen van vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals dit ook nu in de Wet BOPZ gebeurt. Daarnaast zou alleen bescherming van de cliënt in geval van gevaar een gerechtvaardigde reden zijn om deze maatregelen toe te passen, terwijl een verzoek hiertoe van de cliënt of wettelijk vertegenwoordiger of het feit dat de cliënt zonder de maatregel niet te handhaven zou zijn, ook vaak als reden wordt genoemd. En als een verpleegkundige of verzorgende geen alternatief ziet – wat in de meeste gevallen zo was -, is het natuurlijk niet gezegd dat dit er niet is. Je kunt een cliënt tegen vallen beschermen door een bedhek te plaatsen, maar is een lager (eventueel verstelbaar) bed ook geprobeerd?
Eerlijk gezegd verbaasde het mij hoe vaak en hoe snel verpleegkundigen en verzorgenden in de thuiszorg blijkbaar de vrijheid van hun cliënten beperken, zonder dat hier wettelijke regelingen over zijn. Ik weet niet hoe het inmiddels met de voorgestelde wetswijziging staat, maar ik mag hopen dat de praktijk wordt gereguleerd. De Wet BOPZ is immers niet alleen een handig wapen van de arts of verpleegkundige om de cliënt mee in het gareel te houden, maar is primair bedoeld als rechtsbescherming voor de cliënt.
* Veer, A.J.E. de, Francke, A.L., Kruif, A. de, Bolle, F.J.J. (2006), Vrijheidsbeperkingen in de thuiszorg: een inventarisatie onder verpleegkundigen en verzorgenden. Verpleegkunde 2006-21, nr. 4.