Ik lees op het moment een scriptie over decentralisatie in de verstandelijk gehandicaptenzorg. De probleemvraag is of wonen in de wijk voor alle verstandelijk gehandicapten mogelijk is. De conclusie is, niet verbazingwekkend, dat dit niet het geval is. Maar welke criteria worden eigenlijk gehanteerd?
Ik ben zelf een groot voorstander van decentralisatie, en kan me hierdoor nauwelijks voorstellen dat er redenen zijn om iemand niet in de wijk te laten wonen. Toch heb ik zelf de laatste maanden ondervonden dat wonen in de samenleving een zekere voorwaardelijkheid met zich meebrengt. In mijn eigen geval zijn bepaalde voorwaarden vanzelfsprekend. Zo is het begrijpelijk dat ik begin november opgenomen werd (overigens vrijwillig), toen ik suïcidale neigingen had. Maar die crisis is nu al zo’n kleine twee maanden voorbij. En dit was niet de reden dat ik van mensen hoorde dat ik zo niet in de maatschappij kon zijn – want iedereen behalve ikzelf ging er toen ik nog erg instabiel was, vanuit dat dit wel over zou gaan. Nee, de reden dat ik zogenaamd niet in de maatschappij kon zijn, was dat ik soms schreeuw of met deuren sla als ik overprikkedl ben of er onduidelijkheid is. Ja sorry hoor, maar ik ken genoeg niet-gehandicapte mensen die dit doen en die mogen gewoon een huis huren of kopen en erin wonen – en toen ik nog zelfstandig woonde, ben ik er ook niet door de studentenhuisvesting uitgezet.
De auteur van de scriptie gaat er om de één of andere reden vanuit dat mensen met ernstige vormen van autisme niet in de wijk kunnen wonen. Sommige mogelijke redenen hiervoor hebben feitelijk met veiligheid te maken, zoals wanneer een autistische cliënt een verminderd besef van gevaar heeft en hierdoor niet zelfstandig aan het verkeer kan deelnemen. Maar er bestaan rustige wijken met weinig verkeer, en er zijn als het goed is (maar het is helaas niet altijd goed) voldoende begeleiders om de cliënten te ondersteunen als ze niet zelfstandig kunnen reizen – ik ga, ook al heb ik inmiddels de maximale vrijheid, nog niet alleen naar plaatsen waar ik de weg niet ken, en ga niet alleen van de afdeling af als het niet goed met me gaat, omdat ik mezelf dan in onveilige situaties kan begeven.
Dit is ook een veel gebruikt maar onlogisch argument om mensen met een ernstige verstandelijke handicap buiten de samenleving te plaatsen: op het terrein kunnen ze meer. Ze kunnen dan bijvoorbeeld zelf naar de dagbesteding lopen. Dit kan echt een reden zijn waarom sommige mensen liever op een terrein wonen. Zoals ik al zei: ik ben een enorme voorstander van decentralisatie, dus ik vind het moeilijk voor te stellen dat iemand liever in een inrichting zit, maar het kan – en wonen in de wijk is een recht, geen plicht. Aan de andere kant vraag ik me soms af of de cliënt feitelijk meer vrijheid ervaart op een terrein, danwel of het erom gaat dat de vrijheid van mensen die in de wijk wonen, wordt ingeperkt door personeelsgebrek en mindere kwaliteit van zorg, juist omdat het want-ze-hebben-mogelijkhedenmantra meer als grondslag voor decentralisatie geldt dan het recht van alle mensen om deel te nemen in de samenleving.
Een andere reden om cliënten in inrichtingen te laten verblijven, is dat zij zogenaamd maatschappelijk onacceptabel gedrag vertonen. Schreeuwen en met deuren smijten wellicht? Maar zelfs in extremere situaties heb ik in het algemeen bezwaar tegen de notie dat je een cliënt het recht mag ontnemen om in de samenleving te zijn. Ikzelf liep tijdens mijn crisisperiode soms hard huilend over straat. Hoewel sommige professionals in mijn omgeving dit een reden vinden om me uit de maatschappij te houden, en ik hier maar mee instem omdat de professionals wel gelijk zullen hebben, vind ik het eigenlijk onzin om een cliënt die dit gedrag vertoont en verder geen acuut gevaar vormt voor zichzelf of anderen, puur daarom buiten de samenleving te plaatsen. Maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag? Intolerante samenleving. Let wel: ik zeg niet dat je storend gedrag van gehandicapten moet accepteren in de zin dat je er als begeleider geen interventie op mag toepassen, maar dat het geen reden is om iemand het recht om in de maatschappij te verblijven, te ontzeggen. Het gaat er niet om of de cliënt in de maatschappij wordt geaccepteerd – als je de cliënt buiten de samenleving houdt, wordt de kans er ook niet groter op.
* Batenburg, S. (2003), Decentralisatie in de verstandelijk gehandicaptenzorg: is dit voor iedereen geschikt? Den Haag: Haagse Hogeschool. Scriptie in het kader van de opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening.