Archief voor Bejegening

“Je bent zo intelligent.”

Vanmiddag de zoveelste discussie met een verpleegkundige gehad over de betekenis van een hoge intelligentie. Die wordt me namelijk nogal niet weinig voor de voeten geworpen, en ik word verondersteld het als een positieve eigenschap te ervaren. Dat had ik graag gedaan, als men eens ophield IQ te verwarren met praktische zelfredzaamheid, sociale competentie, stabiliteit in gedrag of andere volstrekt ongerelateerde eigenschappen. Helaas werkt het niet zo, en het doet me inmiddels twijfelen aan wat mijn ouders me altijd hebben verteld over de houding van professionals in het speciaal onderwijs, in het bijzonder op één bepaalde blindenschool. Die zouden mijn intelligentie ontkend hebben. Het kan natuurlij kloppen dat men stereotiepe beelden had van hoogintelligente mensen, en ik was geen tienenkoningin en voldeed dus al niet aan het meest hardnekkige stereotype. Aan de andere kant moet uit mijn, minstens eens per drie jaar uitgevoerde, orthopedagogische onderzoeken toch zijn gebleken dat ik intelligent was. Eén keer heeft men verzuimd me een IQ-test af te nemen, en wel allerlei sociaal-emotionele vragenlijsten afgenomen en op de tussen-de-middaggroep nagevraagd of ik wel netjes mijn brood smeerde (wat ik niet deed). Ik heb helaas het betreffende rapport niet bij de hand, maar het lijkt me sterk dat men uit deze gegevens expliciet heeft geconcludeerd dat ik onintelligent zou zijn. Men kon enkel concluderen dat hier geen gegevens over zijn. En tja, het was misschien in die omstandigheden – beroerde sociale vaardigheden, flinke gedragsproblemen en nul zelfredzaamheid -, wel handig om even niet aan intelligentie te denken. De keuze in onderwijsland was immers destijds, en is grotendeels nog steeds, een keuze tussen hooguit vmbo-tl op het speciaal onderwijs, of havo/vwo op het regulier onderwijs, wat echter hogere eisen stelt aan sociale en praktische zelfredzaamheid. Zo eenvoudig is dat, en zo eenvoudig is dat blijkbaar in de volwassenenzorg ook: als je intelligent genoeg bent om boeken op universitair niveau te begrijpen, dan moet je ook intelligent genoeg zijn om je zelfstandig te kunnen redden, moet je sociale situaties kunnen begrijpen (zeker als je niet oppervlakkig een sociaal onhandige indruk maakt, en ik doe dat niet) en mag je geen probleemgedrag hebben.

De verpleegkundige bedoelde het natuurlijk weer positief, als in: ik moest niet alleen focussen op de negatieve kanten die ik heb, maar ook mijn sterke kanten inzien. Waarom denk je dat ik inmiddels aan de Open Universiteit studeer? Eén van de redenen dat ik baal van de dagbestedingseis van veel woonvormen is dat ik de gewone uni niet trek (vanwege de chaotische toestanden daar) en toch weinig behoefte voel om spijkerclips in elkaar te gaan zetten op de dagbesteding van de GGZ (het aanbod aan activiteiten dat de arbeidstherapeut me kon aanbieden, was ook nog eens beperkt door mijn blindheid). Maar hoe kan ik in die situatie intelligentie nog positief waarderen? Als ik onintelligent was, haalde ik misschien wél voldoening uit die verrekte spijkerclips.

En het gaat natuurlijk verder. Ik mag nog steeds niet bij de instellingen voor verstandelijk gehandicapten informeren voor mijn vervolgtraject, want daar hoor ik niet thuis. Alsof ik wel thuishoor tussen mensen met schizofrenie en bipolaire stoornissen, wat de meerderheid van de bevolking van de opnameafdeling (en naar ik aanneeem ook de resocialisatieafdeling) betreft. RIBW Apeldoorn houdt me al drie maanden aan het lijntje met een onduidelijk verzoek om “meer informatie” (terwijl ze alle vereiste stukken hebben), ik neem aan als smoes om eraan te ontkomen me gewoon keihard in mijn gezicht te zeggen dat mijn rationele argumenten hen niet van hun irrationele blindenangst hebben afgeholpen. Bij de blindeninstellingen kun je trouwens ook niet terecht als “mervoudig gehandicapte”, als die andere handicap niet verstandelijk is – en de enkelvoudig-gehandicaptenzorg wil wel een ergotherapuet naar me sturen (na maanden zeuren, ze was afgeschrikt door mijn probleemgedrag tijdens mijn crisis), maar daar houdt het mee op. En natuurlijk Pluryn: als ik verstandelijk gehandicapt was geweest, hadden ze wel wat met me gekund, maar nu ik dat niet ben en ze me dus in hun woonvorm voor lichamelijk gehandicapten moeten plaatsen, zegt men na een jaar keihard mijn best doen nog steeds dat mijn gedragsproblemen te erg zijn om bij hen te kunnen wonen. Hoezo blij zijn met mijn IQ? Ik ben blij dat de opnameafdeling het me toestaat tijdens mijn opname aan de OU te studeren, maar verder heb ik er ontzettend weinig aan.

Laat een reactie achter

Andere Tijden: Jolanda Venema, 1988

Vanavond ging Andere Tijden over de controverse rond Jolanda Venema, die in 1988 in de krant kwam, omdat ze naakt vastgebonden lag in de isoleercel van een zwakzinnigeninrichting. De instelling waar ze indertijd verpleegd werd, kwam nu vooral in een positief daglicht, inclusief een prachtig pronkinitiatief voor een woonwerkboerderij voor ernstig gehandicapten met gedragsproblemen. Maar uiteraard werd de uitzending niet voor niets vertoond, gezien de recente ophef over de separeercel en het feit dat afgelopen dinsdag nog bleek dat de Zweedse band nog te vaak wordt gebruikt. Men heeft nu wel weer mooi een intentieverklaring om de onrustband op termijn af te schaffen, maar het is de vraag of dit ook echt gebeurt. Immers, al is de inrichting waar Jolanda verbleef verantwoordelijk voor haar behandeling, het leek er niet op dat deze mensonterende toestand de bedoeling was geweest. Het was een proces dat voortkwam uit vermeende noodzaak volgens het personeel, dat wel wist dat dit niet hoorde, maar niet hoe het anders moest. Als aan dit soort misstanden in de zorg een einde moet komen, moet dit zowel vanuit de behandelaren als vanuit het management en de inspectie en ook vanuit de politiek, worden ondersteund.

Laat een reactie achter

“Ze zeggen dat ik psychotisch ben geweest.”

Gisteren kreeg ik een brief van een zorgaanbieder voor welke ik was aangemeld. Het betrof het verslag van het gesprek dat ik met de zorgbemiddelaar had gehad. Er stond onder andere in dat ik indertijd opgenomen was met een psychose. Voor wie het niet weet: ik ben opgenomen met suïcidale gedachten en nadat ik een aantal keer had gezworven en hierdoor met politie in aanraking gekomen was. Als het aan mij ligt, ga ik sowieso niet naar die zorginstelling, maar ik vond het toch nodig om die fout (en een paar andere fouten) uit het verslag te corrigeren. Ik ging dus naar de verpleging om te vragen wat ik ermee moest. Toen ik de situatie aan een invalkracht had uitgelegd, vond deze het nodig na te vragen aan een vaste medewerker of ik psychotisch was geweest. Niet dus, kreeg hij bevestigd, en de opmerking dat “flippen” misschien zo geïnterpreteerd wordt. Tja, ik heb hiervoor ooit zelfs antipsychotica geslikt (indicatie “onrust” bij mensen met autisme), maar het is niet hetzelfde.

Het doet me eraan denken hoe je op mensen reageert als je hoort dat ze een bepaalde psychiatrische ziekte hebben (gehad). Op zich kan een persoon natuurlijk gelijk hebben, maar iemand die glashard staat te ontkennen dat hij ooit psychotisch is geweest, kan ook gewoon “gebrek aan ziekte-inzicht” hebben. Dit is over mij zelfs ook ooit gezegd, toen ik eind 2006 hulp zocht maar niet kon uitleggen waarvoor. Het is een zelfverwijzende situatie: natuurlijk geloof jij niet dat je psychotisch bent, daar ben je veel te verward voor. Of waar ik zelf altijd bang voor ben geweest: natuurlijk ben jij het niet eens met een diagnose van gedragsstoornis (die ik overigens niet heb), het tegenspreken van autoriteitsfiguren en de schuld afschuiven voor je wangedrag zijn hier immers kenmerken van. Het kan waar zijn, maar degene die het gerucht over de ziekte heeft gecreëerd (de arts die de diagnose heeft gesteld of iemand anders dus), kan er ook naast zitten, zoals in het geval van het verslag. Toch zullen mensen – ikzelf incluis, heb ik helaas gemerkt – soms eerder geneigd zijn te geloven wat “de professional” zegt dan wat de patiënt zelf beweert.

Laat een reactie achter

“Want dat doe je thuis ook.”

Enkele pedagogisch ingestelde verpleegkundigen op mijn afdeling, doen regelmatig verwoede pogingen ons hun normen en waarden bij te brengen. Zo is het al meerdere malen in de huiskamerbespreking aan de orde gekomen dat we eigenlijk tegelijk met de maaltijden zouden moeten beginnen en aan tafel zouden moeten blijven zitten tot iedereen klaar is. Ik heb op zich niets tegen de gedachte achter deze norm, maar ga er toch consequent tegen in verzet. Het argument dat men voor de regel gebruikt, is steevast: “Want dat doe je thuis ook.”

Ten eerste kan ik me er pimpelpaars met gele stippen aan ergeren als men veronderstelt dat psychiatrische ziekte automatisch met gebrek aan normbesef gepaard gaat. Het kan zijn dat een persoon, die toevallig een psyciatrische ziekte heeft, de norm “tegelijk beginnen en eindigen met de maaltijd” überhaupt al nooit had, en om nou te zeggen dat het om een cardinale wet gaat, is mij wat vergezocht. Op de eetgroep op het christelijke blindeninstituut moest ik ook zo nodig bidden, en men weigerde categorisch te respecteren dat wij thuis niet gelovig zijn en ik dus hooguit even stil hoefde te zijn. En bij mijn ouders thuis trok mijn moeder ook altijd bijna de halfvolle borden onder de neuzen van de mensen vandaan. Ik ben van mezelf helemaal niet normloos, maar precies daarom heb ik er een bloedhekel aan als dit door professionele hulpverleners wordt verondersteld, en zeker nu ik volwassen ben.

Daarnaast is het tegelijk beginnen en eindigen met eten op onze afdeling praktisch vrijwel onmogelijk. We hebben zestien patiënten die bijna allemaal ernstige psychiatrische problemen hebben. Als iemand onrustig is, kun je toch niet eisen dat hij aan tafel blijft, als hij vervolgens de hele groep verstoort? Normaliter wordt iemand die onrust veroorzaakt, naar zijn kamer gestuurd, maar als hij daar graag op eigen initiatief heen wil omdat hij niet kan blijven zitten, mag het weer niet. Bovendien: het gemiddelde gezin in Nederland bestaat niet uit zestien personen (of meer als je de verpleging meerekent). Ik woon zelf alleen en hoef dus op niemand te wachten met eten, maar zelfs als ik in een gezin woonde waar dit wel de norm was, bestond dat gezin waarschijnlijk hooguit uit vier of vijf personen.

De afdeling is je thuis niet. Dat wordt ons in allerlei andere contexten altijd ingepeperd, maar we moeten ons blijkbaar wel aan praktisch onhaalbare en lang niet universele normen houden. Gelukkig is het voorstel er nog niet door, en ik hoop dat het ook niet gebeurt voordat ik hier weg ben.

Laat een reactie achter

“Niet gemotiveerd”

De resocialisatieafdeling heeft me vorige week afgewezen, omdat ik zogenaamd niet gemotiveerd genoeg ben. Geen idee hoe men erbij komt, maar het zal wel iets zijn waarin ik heb aangegeven dat ik niet alles aankan, want dat was hetgene dat het dichtst bij “niet gemotiveerd” kwam – men heeft me niet naar mijn motivatie gevraagd. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik voor onwillig wordt uitgemaakt als ik alleen aangeef dat ik iets niet aankan. Nog maar los van het feit dat er geen specifieke zaken zijn besproken – het was een zeer algemeen, vaag gesprek -, heeft iets wel of niet aankunnen, bar weinig met motivatie te maken.

Het is gemakkelijk gezegd: als je praktisch gezien een bepaalde vaardigheid bezit, zoals schoonmaken, dan moet je die ook uitvoeren, anders zul je er wel te lui voor zijn. Dan vergeet men wel dat het uitvoeren van één bepaalde taak, nogal wat anders is dan het uitvoeren van diezelfde taak tussen andere taken. Om een voorbeeld te noemn: is iedereen lui, die gebruikmaakt van de bezorgservice van bijvoorbeeld Albert.nl? Immers, het gaat in het merendeel van de gevallen om mensen die in principe prima in staat zouden zijn om zelf naar de winkel te komen en hun boodschapepn te halen. De doelgroep bestaat echter vooral uit werkenden, die na hun werk om halfzes thuiskomen en vervolgens nog moeten koken, eten, afwassen (of de afwas in de vaatwasser zetten!), etc. Bij mijn ouders thuis – tweeverdieners -, hadden we geen afwasmachine en we haalden de boodschappen altijd zelf, maar is het luiheid of “geen motivatie” als een ander dat niet doet? En ik zeur niet over alle extra energie die “disability management” – de activiteiten die ik extra moet doen vanwege mijn beperkingen -, me kost, maar je kunt het moeilijk ontkennen.

Daar komt nog bij dat we helemaal geen specifieke zaken besproken hebben. De discussie over wat ik wel en niet aankon, was zo vaag, dat je daaruit helemaal geen conclusies kon trekken over mijn motivatie om vaardigheden te leren danwel op te pakken. Toegegeven: praktisch gezien hoef ik op de gesloten afdeling bar weinig en toch ben ik overprikkeld, dus gemakkelijk om dan te concluderen dat ik wel héél weinig aankan en dus wel ongemotiveerd móet zijn. Maar dan vergeet je wel hoe overweldigend het leven op een gesloten afdeling is. Bovendien is het nogal onoverzichtelijk als ik wel weet wat er – uiteindelijk, over een eindige maar niet bepaalde tijd – van me verwacht wordt, maar er geen enkel plan is over hoe ik daar naartoe ga werken – want daarvoor ging ik juist naar de resocialisatieafdeling. Het is helemaal niet gezegd dat ik geen vaardigheden meer kan oppakken – ik ga ervanuit van wel -, maar niet op de manier dat men me vertelt dat ik het uiteindelijk moet kunnen en dan moet ik maar zien hoe.

En trouwens: als ik niet het overzicht heb om een bepaalde activiteit uit te voeren, zelfs al heb ik alle losse, praktische vaardigheden om dat te doen, heeft dat nog geen bal met motivatie te maken. Niet het overzicht kunnen houden over complexe taken of daginvullingen, is niet hetzelfde als niet gemotiveerd zijn om die taken uit te voeren. Ik kan dit moeilijk aan mensen uitleggen, die niet begrijpen dat ik het overzicht echt niet kan houden. “Je hoeft alleen maar dit te doen, dat is niet zo’n moeilijke taak.” Nee, voor jou niet misschien, maar voor mij wel, want er zitten een heleboel aspecten aan die jij gemakkelijker in één keer overziet, maar ik niet. Hoe maak je een boodschappenlijstje, in zeventig simpele stappen, en zo. Maar dat kan iemand zich meestal zo moeilijk voorstellen, en dan krijg je algauw te horen dat je er gewoon te lui voor bent. Als op basis van concrete voorbeelden zou blijken dat ik inderdaad te weinig aankan voor de reso – maar zoals ik zei hebben ze me helemaal niet gevraagd wat ik dan specifiek wel en niet aankan, dus hoe kunnen ze dat weten? -, dan vind ik het nog wel best als ze me op “te complexe zorgvraag” afwijzen, wat hun andere slecht gefundeerde argument was. Maar met motivatie heeft het dan niets te maken.

Laat een reactie achter

“In de toekomst wordt het beter.”

“Het gaat wel over als duidelijk wordt waar je gaat wonen.” “Jouw vervolgtraject is ‘custom-made’ en dat kost tijd. Heb geduld.” “Je bent nog jong, je hebt nog heel veel tijd.” En zo kan ik nog wel even doorgaan met mijn opsomming van reacties die ik van hulpverleners krijg als ik duidelijk maak dat het niet goed gaat. Er zijn ook andere reacties – die van het type het-gaat-wel-goed-want-je-maakt-grapjes -, maar daar heb ik het nu niet over. De reacties à la in-de-toekomst-wordt-het-beter gaan allemaal uit van de gedachte dat een verblijf op de gesloten opnameafdeling tijdelijk is. Bovendien gaat men ervanuit dat de onaangename toestand waarin ik ben – voor zover men die erkent, wat meestal dus al sowieso niet gebeurt -, daar intrinsiek mee samenhangt. Al zou dat zo zijn – ik geloof er geen reet van, maar oké -, dan nog is het toch niet zo’n vreemde gedachte dat “tijdelijk” nu onderhand wel tien maanden is. En trouwens, wat in dit leven is eigenlijk niet tijdelijk?

Zoals ik al eens schreef, heb ik vaak de gedachte dat ik het eind van het jaar niet haal, en is deze gedachte niet met feiten te weerleggen – immers, dan zou je de toekomst moeten kunnen voorspellen, en dezelfde mensen die constant erop hameren dat het wel beter wordt, beweren steevast dat ik dat niet kan.

Je kunt wel constant naar de toekomst wijzen als het niet goed gaat, maar dat verandert niets aan de huidige situatie. Ik probeer het niet meer te doen, want ik krijg het toch niet voor ekaar om mijn negatieve gevoelens en gedachten over de toekomst te veranderen. Het kan wel wezen dat de enige zinvolle reden om niet helemaal op te geven, voor de mensen hier op de afdeling soms lijkt te zijn, dat het in de toekomst beter wordt, maar aan dit argument heb ik niets. Ik vind het moeilijk om in toekomst te geloven, dus praat daar nou niet constant over. Ik doe mijn best om mijn huidige toestand zo optimaal mogelijk te houden. Echt goed lukt het me (nog) niet, maar ik probeer het. Toekomstplanning is prima als het per se moet, maar sla me er alsjeblieft niet constant mee om de oren.

Laat een reactie achter

“Wij weten (gedeeltelijk) wat goed voor u is.”

Gisteren hoorde ik van de maatschappelijk werker dat RIBW Oost-Veluwe een intakegesprek met me wil. Geen idee wat ik ervan moet verwachten, want ik heb die mensen nooit gesproken. Het enige wat ik er eigenlijk van weet, is dat de maatschappelijk werker in mei beweerde dat men daar woonmogelijkheden had en dat ik een aanmeldingsformulier moest invullen (en als ik dat niet deed, dreigde ze me met ontslag te laten sturen). De informatie die ik later gekregen heb, daar word ik ook niet wijzer van, en sindsdien heeft iedereen zich volledig op een ander woonproject gefocust. Het heeft één voordeel: ik ga het intakegesprek in ieder geval niet in met allerlei vooroordelen over waarom ze me wel niet zullen aannemen, zoals ik dat bij MHOOM wel heb. Maar betekent dat ook dat ik eerlijk kan zijn?

Ik heb het me wel voorgenomen. Ik moet er immers wonen, en als ik al begin met onjuiste informatie te geven, heb ik daar alleen mezelf mee. Aan de andere kant gaat de maatschappelijk werker of stagiaire mee, en van hen heb ik de ervaring dat ze nog wel eens denken mijn hulpvraag beter te kennen dan ikzelf. Toen ik op de reso-afdeling voor intakegesprek ging, bleek dat de psycholoog al allerlei informatie gekregen had en de maatschappelijk werker nog meer informatie gaf tijdens het gesprek, die voor een deel niet klopte, en dat ik vooral bezig was met die onjuistheden recht te zetten. Dan wordt het geen prettig gesprek, en de reso wilde dan ook nog een tweede gesprek (maar liet vervolgens niks meer van zich horen). Zo kan het dus niet nog eens gaan.

Ik meldde dit aan de stagiaire van maatschappelijk werk, en die ging in discussie over de vraag of de informatie die ze hadden gegeven, nou wel of niet juist was, compleet met clichés als “Ja maar zij [de maatschappelijk werker] heeft ervoor gestudeerd,” en “Ja maar wij hebben wel een goed idee van wat goed voor jou zou zijn.” Wie er gelijk heeft en op wat voor gronden, maakt mij helemaal geen donder uit: ik ben degene die straks ergens moet wonen en ik ben er dus voor verantwoordelijk dat mijn hulpvraag daar ook beantwoord kan worden. Als het fout loopt, kan ik niet zeggen: “De maatschappelijk werker van GGZ Nijmegen dacht dat ik dit wel of niet zou kunnen, ga maar bij haar klagen als je een probleem hebt.” Ik kan ook zelf mijn verantwoordelijkheid niet op haar schuiven als het mis gaat: als ik in Apeldoorn ga wonen, heb ik met GGZ Nijmegen immers niets meer te maken.

Ik bedoel niet dat een woonvorm niets heeft aan de informatie van andere hulpverleners. Maar dat is nog niet hetzelfde als dat die hulpverleners voor mij in een intakegesprek gaan duidelijk maken wat ik wel en niet nodig heb, nota bene terwijl de setting waarin deze hulpverleners mij geobserveerd hebben, heel anders is dan de setting waarin ik terechtkom. Je kunt al niet eens zeggen dat mijn crisisplan goed is, als je niet eerst hebt geprobeerd of het inderdaad werkt zonder time-outprogramma erbij – en men is hier erg terughoudend om mijn time-outbeleid af te schaffen. Laat staan dat je kunt concluderen hoe mijn vaardigheden en hulpbehoeften zijn qua huishouden, zelfzorg, sociaal netwerk, dagstructuur… De maatschappelijk werker heeft uitspraken hierover tegen mij gedaan en in behandelplannen gezet waarvan ik me ten zeerste afvraag hoe ze erbij komt. Voor nu is het allemaal best: zij hoeft me niet te begeleiden in mijn dagelijkse leven, aangezien dat de taak van verpleegkundigen is, en waar die het naar mijn mening niet bij het rechte eind hebben, ben ik maar opgehouden met kritiek leveren omdat ik al te vaak gehoord heb dat ik anders maar met ontslag ga. En ik zeg niet dat ik het altijd bij het rechte eind heb en helemaal perfect weet hoe ik begeleid moet worden en welke problemen ik al dan niet heb – soms heb ik bijvoorbeeld gewoon niet door dat gedrag van mij overlast veroorzaakt -, maar het gaat ook wat ver om er maar vanuit te gaan dat de hulpverlener dat wel voor honderd procent weet. De hulpverlener kan inzicht geven in hoe de buitenwereld de patiënt ziet, maar dat dan ook nog alleen in de context waarin de hulpverlener die patiënt geobserveerd heeft, en met de interpretatie van gedrag die de hulpverlener eraan geeft. Ik heb wat dat betreft niet genoeg vertrouwen in wie dan ook van deze afdeling om aan hen het uitleggen van mijn hulpvragen over te laten. Dat ligt trouwens niet eens echt aan de afdeling op zich: bijna geen enkele hulpverlener heeft zijn inzichten kunnen communiceren zonder dat ik er commentaar op had. Je hebt gewoon een ander perspectief als hulpverlener en als cliënt. Niks mis mee, totdat de hulpverlener besluit dat hij “ervoor gestudeerd heeft” om de hulpvraag van de cliënt in kaart te brengen (of totdat de cliënt beweert dat de normen die de hulpverlener op zijn afdeling stelt, niet voor hem gelden). Idealiter bepalen hulpverlener en cliënt in samenspraak de begeleidingsvraag, waarbij nog wel even de kanttekening moet worden gemaakt dat het dan gaat om de huidige hulpverlener en dat het nog een bijkomend probleem is als een vertrekkend hulpverlener de begeleidingsvraag voor een nieuwe hulpverlener, in een andere setting, bepaalt. Ik ben geen voorstander van u-vraagt-wij-draaien in de zorg, en zeker niet in de zorg aan mensen met ontwikkelings- of psychiatrische problemen, omdat die niet altijd inzicht hebben in de impact van hun gedrag op anderen. Maar ik ben minstens even weinig voorstander van wij-bepalen-wat-goed-voor-u-is. En wellicht ten overvloede: simpelweg omdat een hulpverlener beweert de rehabilitatiegedachte aan te hangen, zorgt er nog niet voor dat hij het wij-bepalen-wat-goed-voor-u-isdenken heeft losgelaten. Het gaat erom dat cliënt en hulpverlner vanuit hun eigen perspectief samen de hulpvraag vaststellen.

Laat een reactie achter

“Geen discussie.”

Vaak heb ik van begeleiders gehoord dat ze beter niet met mij in “discussie” kunnen gaan, om zo te voorkomen dat ik flip. Hier op de opnameafdeling is “zeer directief” zelfs het behandelmotto geworden ongeveer, maar ook op het trainingshuis moest men ervoor waken niet te snel met mij in een oeverloze discussie over allerlei kleine dingen verzeild te raken. Dit geldt in het bijzonder als ik al onrustig ben: dan raak ik alleen maar nog meer in de war van alle details die je er nog eens bij haalt tijdens het gesprek, en begrijp ik je meestal toch niet correct.

Aan de andere kant kan ik me er pimpelpaars met gele stippen aan ergeren als behandelaars, begeleiders of verpleegkundigen “zeer directief” tot hun standaardhouding verheffen. Het leidt er namelijk ook regelmatig toe dat ik er feitelijk niets van begrijp, en dat begrip komt ook niet als ik rustig ben: wat je me niet hebt uitgelegd, kan ik niet begrijpen. Toen mijn arts me bijvoorbeeld mededeelde dat ze geen discussie aanging over het incident dat de dag tevoren had plaatsgevonden en dat ik een time-outbeleid kreeg als ik geen afspraken kon maken om het in het vervolg te voorkomen, vond ik het voor dat moment helemaal prima om een time-outprogramma te krijgen: het was vijf voor vijf, ik begreep niet eens wat ik precies misdaan had, laat staan wat ik kon doen om het in het vervolg te voorkomen, en ik wist wel dat mijn toestand nog steeds crappy was, zodat ik niet kon wachten tot mijn arts later die week dan die afspraken met me zou maken. Aan de andere kant begrijp ik er tot op de dag van vandaag – twee maanden later – helemaal niets van: is het time-outprogramma nou ingesteld om te voorkomen dat ik op de afdeling schreeuw of met een deur smijt (wat nu gezegd wordt, al zei men eerder steeds dat ik voor een time-outprogramma wel wat ergers moest flikken), of om te voorkomen dat ik weer impulsief naar buiten ga en daar ga dwalen en mogelijk ook schreeuwen (wat die bewuste avond naar mijn herinnering is gebeurd en wat de arts ook highlightte toen ze me commandeerde afspraken te maken of anders)? Vorige week ben ik buiten in paniek geraakt omdat ik de weg kwijt was geraakt, dwaalde ik hierdoor, heb ik om hulp geschreeuwd en kwam een verpleegkundige van een andere afdeling naar buiten omdat iemand zich zorgen had gemaakt. Ik moest toen ik terug was op de afdeling, echter niet in de time-out, terwijl dit exact was wat ik me herinner buiten te hebben gedaan op die bewuste avond in juni, en de arts zei heel duidelijk: “Zoiets kan niet nog eens gebeuren buiten.” Het enige wat ik vorige week niet had gedaan en destijds wel, was in een impuls naar buiten gaan (ik kwam van mijn hok), en mijn algehele gemoedstoestand was een stuk beter (maar dat telt niet, want mijn toestand wordt afgemeten aan mijn gedrag), maar het resultaat was toch hetzelfde? De regel in mijn crisissignaleringsplan is wel, dat ik pas in de time-out hoef als het niet werkt om me voor minstens een halfuur naar mijn kamer te sturen, maar destijds in juni had ik, eenmal uit mezelf terug op de afdeling gekomen, ook de hele avond op mijn kamer doorgebracht. Niemand heeft me iets uitgelegd. “Geen discussie, het is een mededeling.” Maar wat dan eigenlijk de mededeling is, snap ik niet.

Het wordt nog gecompliceerder als mensen wel in “discussie” gaan, maar daarbij automatisch vooronderstellingen maken over hoe ze bepaald gedrag moeten interpreteren. Mijn behandelaar vermijdt “discussie” met mij sinds januari, toen we een nogal gecompliceerde woordenwisseling hadden over een incident van toen. Om te beginnen herinnerde ik me het incident – waarbij ik in een flipbui midden op de weg stilstond – destijds niet. Nadat mijn arts vijf keer had gevraagd of ik erbij was en met “het zal wel” geen genoegen nam, gaf ik maar toe dat ik erbij was geweest, omdat er een verpleegkundige bij was geweest en die toch niet liegt in rapportages. Tja, het is gemakkelijk om dat te interpreteren als een poging om het incident in de doofpot te stoppen, en dus de conclusie te trekken dat je me gewoon moet straffen zonder inhoudelijk verder aandacht aan de situatie te schenken. Maar er speelde ook, dat er vrij automatisch vanuit werd gegaan dat ik min of meer bewust voor dit gedrag had gekozen en, als dat niet zo was, dan in ieder geval de grotere veiligheidskwestie begreep. Voor een deel doe ik dat inderdaad, maar niet volledig. Net als dat ik vorige week niet in de time-out ben gegaan, ga ik er ook maar niet tegenin als een verpleegkundige zegt dat ik nu wel op de weg mag lopen en daarvoor niet mijn vrijheden kwijtraak, maar ik snap er weinig van. Ik mag niet hopen dat ik, als ik eenmaal in de maatschappij terug ben, in een vergelijkebare situatie terecht kom. Want als ik nu om uitleg vraag over een bepaalde sociale regel en ik ga tegen een bepaalde interpretatie van mijn gedrag in, betekent dat “discussie” en is mijn serieuze vraag dus een overduidelijke poging tot manipulatie. Echt niet begrijpen is natuurlijk weer onmogelijk.

Laat een reactie achter

“Je doet het om de aandacht.”

“Je doet het voor de aandacht.” Dat is gemakkelijk geconcludeerd, want elke vorm van negatief gedrag is volgens de gemiddelde hulpverlener meestal aandachttrekkerij. Op zich is dat logisch: het negatieve gedrag trekt immers daadwerkelijk de aandacht van de hulpverlener, ook al willen noch de cliënt, noch de hulpverlener dit: het is een eenvoudig principe uit de sociale psychologie dat negatief gedrag gemakkelijk opvalt. Gegeven deze feiten, zou ik dan ook veel vaker dan ik daadwerkelijk doe, moeten toegeven dat ik met mijn gedrag de aandacht trek. Maar de reden dat ik steevast tegen een dergelijke interpretatie protesteer, is, naast het feit dat het niet mijn bewuste bedoeling is om aandacht te krijgen, nog een andere: aandacht vragen wordt gezien als iets intrinsiek ongewensts.

Het is natuurlijk pertinent onjuist. Je trekt ook de aandacht als je gewoon iemands naam roept, en dat wordt (mag je hopen) niet afgestraft of genegeerd. Evenzo trek je de aandacht als je constant grappen maakt – en de cabaretier wordt hier grif voor beloond. En toch, zodra je in een hulpverleningssituatie bent en gedragsproblemen hebt, wordt “aandacht vragen” getypeerd als iets pathologisch. Hetzelfde geldt trouwens voor “manipuleren”, terwijl dit in essentie het doel van alle communicatie is: een persoon of situatie beïnvloeden.

Ja natuurlijk, ik begrijp wat de hulpverlener eigenlijk bedoelt: “Als het je bedoeling is om aandacht te vragen, dan doe je dat op een verkeerde manier.” Maar meestal wordt deze verkeerde manier van aandacht trekken, afgestraft door de cliënt botweg te negeren als hij het ongewenste gedrag vertoont, blijkbaar in de hoop dat hij dan vanzelf op de gewenste manier om aandacht komt vragen. Maar hierbij vergeten we de vaak gebrekkige cognitieve, communicatieve en sociale vaardigheden van de cliënt: hij is (nog) niet in staat op de gepaste manier om aandacht te vragen. En zo wordt gemakkelijk overgebracht dat de cliënt een gestoorde zucht om aandacht heeft. Feitelijk heeft ieder normaal mens behoefte aan een vrij grote hoeveelheid aandacht van andere mensen en is er aan deze behoefte bij cliënten met ongewenst gedrag, niets pathologisch.

Ik herinner me een studie die een aantal maanden geleden in een medisch vaktijdschrift is gepubliceerd, waarin het effect van antipsychotica op agressie bij verstandelijk gehandicapten werd onderzocht. De groep cliënten was onderverdeeld in drie subgroepen: één groep kreeg het atypische antipsychoticum Risperdal (risperidon), één groep kreeg het klassieke middel Haldol (haloperidol) en één groep kreeg een placebopil. Aan het eind van de studie bleek dat álle cliënten significant minder agressief gedrag vertoonden. De meest waarschijnlijke verklaring is hiervoor dat de agressie verminderde door het feit dat de mensen in de studie deelnamen en hierdoor veel aandacht kregen. De psychologische achtergronden van dit fenomeen vielen buiten het bestek van de studie, maar het is niet waarschijnlijk dat de cliënten een excessieve behoefte aan aandacht hadden. Het ging om bewoners van een instelling, die bovendien een ernstige ontwikkelignsstoornis hadden. Hierdoor zouden ze vermoedelijk neit in staat zijn uit zichzelf op een geaccepteerde manier om aandacht te vragen, hoeveel je ze ook vol zou stoppen met psychofarmaca en hoezeer je ze ook pedagogisch zou negeren. Bovendien, al zouden ze wel op een normale manier om aandacht hebben kunnen vragen, dan was de kans nog zeer klein dat ze het kregen, gegeven het feit dat zorgpersoneel tegenwoordig hier geen tijd voor heeft. Medische onderzoekers wel.

“Je doet het voor de aandacht.” Ja, klopt, en wat dan nog? Jij loopt ook de hele dag aandacht te trekken, alleen heb jij als hulpverlener de cognitieve, communicatieve en sociale competenties om dit op een aanvaardbare manier te doen. In plaats van de behoefte van je cliënten, die meestal alles behalve excessief is, te pathologiseren en daarom te negeren, leer je ze liever om op een acceptabele manier deze behoefte – die meestal trouwens complexer is dan puur “aandacht”, maar dat is stof voor een andere post – te uiten. In veel instellingen in de zorg is tegenwoordig een personeelstekort, waardoor het voro begeleiders, verzorgenden en verpleegkundigen vaak niet mogelijk is om aan de behoeften van cliënten tegemoet te komen, maar is daarmee de behoefte van de cliënt ongepast? En als je toevallig, zoals ik, van mening bent dat het er meer om gaat op welke manier je cliënt zijn behoeften uit, dan wélke behoeften hij uit, houd dan voortaan je beschuldigende toon achterwege als je tegen een cliënt zegt dat hij zich voor de aandacht misdraagt.

Laat een reactie achter

Duidelijk vs. directief

“Je vraagt om duidelijkheid, dus moet je nu de formulieren invullen.” Het was niet duidelijk. De formulieren voor de woonvormen hadden een aantal clausules waar ik absoluut niet blij van werd zonder nadere uitleg. Bovendien moet ik naar Apeldoorn en verblijf ik nu in Nijmegen. Als één woonproject dan eist dat je drie maanden huur betaalt als je wordt aangenomen, maar er niet gaat wonen – achteraf bleek het zo erg niet te zijn, maar dat moest ik wel eerst weten -, is het een erg groot risico om een formulier in te vullen waarin ik me hieraan verbindt, puur omdat de maatschappelijk werker het zegt. Zeker, toen ze mijn vraag hiernaar beantwoordde met “Dat staat er niet,” (kun je lezen?) en “Desnoods betalen wij het,” (regel dat eerst maar). De standaardopmerking dat ik om duidelijkheid vroeg, had ze uit een brief die ik een week eerder aan mijn dossier had laten toevoegen, maar dit was niet waar ik het over had. Dit was directief – het door mijn behandelaar volledig uit zijn context gerukte behandeldevies -, zeker. Duidelijk, mijn neus.

Helaas is het niet alleen de maatschappelijk werker die denkt dat directief zijn automatisch duidelijkheid geeft. Verpleegkundigen kunnen er ook wat van. Ooit heeft een verpleegkundige met mij afgesproken dat ik voortaan alleen een gesprek mocht vragen, op een vast te stellen moment, met de verpleegkundige aan wie ik voor die dienst toegewezen was. De reden was dat ik nogal eens de neiging heb om met onduidelijke opmerkingen en vragen bij alle drie de verpleegkundigen te komen of iedere keer opnieuw bij kantoor te gaan staan, waardoor iedereen tureluurs wordt van mijn eeuwige herhalen en ik toch nooit antwoord krijg. Prima als je het mij vroeg. Het werd nog wel eens een probleem als men niet wist dat ik voor kantoor stond, en een andere verpleegkundige toevallig de deur opende, maar meestal wees men dan vrij snel naar de verpleegkundige bij wie ik op het lijstje stond door. Zo niet vorige week. Mijn behandelaar had me net haar zeer directieve preek over het time-outbeleid gegeven, waarbij een verpleegkundige – toevallig dezelfde die de afspraak met me had gemaakt -, aanwezig was geweest. Ik besloot dus ’s avonds naar haar toe te gaan om haar te vragen hoe zij het had geïnterpreteerd: naar mijn mening smeet de arts de (dikke) deur wel erg gemakkelijk in mijn gezicht dicht, maar misschien had ik iets verkeerd gezegd of de verkeerde toon gebruikt en moest ik dit later verduidelijken. “Ik ga hier nu niet met je over in discussie,” meldde de verpleegkundige me, alsof ik in discussie wilde gaan. “Bovendien sta je bij [andere verpleegkundige] op de lijst.” Ik vroeg waar dit nu weer voor nodig was: zij was bij het gesprek aanwezig geweest, terwijl ik niet aan haar toegewezen was. Dat was nu eenmaal zo, deelden beide verpleegkundigen aan me mede, want toen de arts mij haar preek gegeven had, hadden ze nog geen verdeling gemaakt. Ik werd gefrustreerd en flipte al aardig, maar reageerde gelukkig op tijd op het dreigement me in de time-out te zetten. Directief van de (toch al niet zo) duidelijke afspraken afwijken. Hmmz.

Laat een reactie achter

Oudere Berichten »