Tegenwoordig wordt steeds vaker gesproken over “vraaggerichte zorg”. Nogal eens wordt dit door skeptici beschouwd als een u-vraagt-wij-draaientheorie waarbij de professional zich maar moet aanpassen aan de wensen en behoeften van de cliënt. Maar zo werkt het niet. Het icoon van de vraaggerichte zorg binnen het trainingshuis waar ik woonde, gebruikte niet voor niets geregeld de zin: “Meer smaken hebben we niet.”
Bij vraaggerichte zorg gaat het erom dat de hulpverlener zich expliciet inzet om de te leveren zorg te laten aansluiten bij de wensen en behoeften van de cliënt. Dit betekent dat het initiatief zowel bij de cliënt, als bij de hulpverlener ligt, om in gezamenlijke dialoog tot goede zorg te komen. De mogelijkheden van een instelling – het gaat veelal om bijvoorbeeld woonvormen of ziekenhuizen – zijn uiteraard beperkt, maar binnen die mogelijkheden doet de hulpverlener zijn best rekening te houden met de behoeften en wensen van de cliënt. Hierbij zijn drie kernwaarden belangrijk:
- Wederkerigheid: de cliënt en hulpverlener zijn in een wederzijdse dialoog, waarbij niet de één alles bepaalt, maar beiden gezamenlijk bepalen hoe gewerkt gaat worden.
- Respect: de hulpverlener behoort de cliënt op een respectvolle manier te bejegenen.
- Gelijkwaardigheid: simpelweg omdat de cliënt bijvoorbeeld een verstandelijke handicap heeft, wil nog niet zeggen dat hij minder is dan de hulpverlener. De mogelijkheden en beperkingen van de cliënt worden voor kennisgeving aangenomen, zonder daaraan een waardeoordeel te verbinden.
Een hulpverlener zal bij het bieden van vraaggerichte zorg, wel uitdrukkelijk de wensen van de cliënt in ogenschouw nemen, maar het gaat er niet om precies te doen wat de cliënt wil. Immers, vraaggerichte zorg is ook gebaseerd op de professionele houding van de hulpverlener. Het belangrijkste is dat de hulpverlener de cliënt helpt zicht te krijgen op zijn problemen en deel te nemen in het vinden van een oplossing hiervoor.