Archief voor april, 2008

Villawijk ziet liever geen gehandicapten


In een villawijk in Enschede is onrust ontstaan vanwege de komst van een groep verstandelijk gehandicapten. De Stichting Aveleijn SDT heeft één van de tien villa’s aan het Weldammerbos gekocht en is aan het verbouwen
geslagen om over een paar maanden onderdak te kunnen bieden aan vijf of zes gehandicapten. Sommige buurtbewoners zitten daar niet op te wachten en tekenden bezwaar aan. (Bron: AD)

Het gaat de buurtbewoners er niet eens om dat de verstandelijk gehandicapten overlast zouden kunnen veroorzaken, zoals dit soms gebeurt als licht verstandelijk beperkten met ernstige gedragsproblemen ergens moeten worden geplaatst. Wat de buurtbewoners steekt, is het feit dat er misschien in de toekomst wel bewoners komen die overlast veroorzaken. Immers, zij hebben geen invloed op wie er in de woonvorm komen te wonen, en als Aveleijn besluit het project op te doeken, is de villa ongeschikt voor verkoop aan particulieren. Dan komen er, vreest de buurt, wellicht studenten of ex-criminelen in te wonen. Op zich vind ik dit een onzinargument. Ze hebben er immers nooit invloed op wie de villa’s koopt, ook niet als het om particulieren gaat.

Daarnaast vrezen de buurtbewoners dat hun huizen in prijs zullen dalen als er gehandicapten in de buurt komen wonen. Lijkt mij een typische kwestie van de self-fulfilling prophecy als je de vooroordelen van de buurt instanthoudt. “We hebben niks tegen gehandicapten, alleen niet in mijn buurt.” Tuurlijk.

De klagers voeren aan dat de gehandicapten toch ook in een wijk kunnen worden gehuisvest waar 2000 huizen staan in plaats van tien. Sorry hoor, maar soms is een rustige omgeving de beste plaats voor een persoon, bijvoorbeeld als hij een ernstige verstandelijke of meervoudige handicap heeft. En het is uit de tijd om te concluderen dat zulke mensen per definitie in de inrichting horen.

Laat een reactie achter

Laat moederschap

Vanavond ging Zembla over vrouwen die op latere leeftijd kinderen krijgen en alle consequenties die dat heeft. Na je dertigste neemt de vruchtbaarheid van vrouwen significant af en verhoogt het risico op miskramen en zwangerschapscomplicaties (HELLP-syndroom bijvoorbeeld). Het aantal meerlingzwangerschappen neemt ook toe, en al vanaf de leeftijd van dertig stijgt het risico op chromosomale afwijkingen bij het kind, zoals het syndroom van Down.

Ik vond het niet verbazend dit te horen, maar blijkbaar veel Nederlandse vrouwen wel. Uit onderzoek blijkt namelijk dat zij vaak niet op de hoogte zijn van de risico’s van het krijgen van kinderen op latere leeftijd. Dat je na je 36ste geadviseerd wordt een vruchtwaterpunctie te laten doen om te testen of je baby het syndroom van Down heeft, is nog wel bekend, maar de andere risico’s kennen mensen vaak niet. En dat terwijl het economisch heel aantrekkelijk is om laat kinderen te krijgen: als je vroeg een kind krijgt, is dit immers niet best voor je carrière.

Wetgeving heeft de laatste jaren al geprobeerd het makkelijker te maken om zorgen en werken te combineren (bv. de Wet Arbeid en Zorg of Wazo), maar daarmee verandert de houding natuurlijk niet. Een vrouw kan wel recht hebben op zwangerschapsverlof, maar als zij een tijdelijk contract heeft en de werkgever besluit dit niet te verlengen als ze zwanger wordt, heb je er weinig aan. Op zich zouden in eerste instantie mensen beter voorgelicht moeten worden over de consequenties van het laat zwanger (willen) worden.

Laat een reactie achter

Stabiel

Mijn toestandsbeeld is, volgens mijn behandelaar, al enkele maanden stabiel. De eerste vraag is wat ze met mijn toestandsbeeld bedoelt, want er is een scala aan aspecten aan dit toestandsbeeld. Bedoelt ze de symptomen waarmee ik opgenomen was – sombere stemming, suïcidaliteit, zwerfgedrag -, of bedoelt ze mijn flipbuien, of wat? Maar als dat al duidelijk is, wat moet ik dan verstaan onder “stabiel”?

Letterlijk gezien betekent stabiel dat iemands toestand voor een zekere periode op een bepaald niveau blijft. In de algemene gezondheidszorg kan iemands toestand tegelijk stabiel zijn en kritiek. In de psychiatrie lijkt dit niet te zijn wat wordt bedoeld. Immers, dan was ik de eerste drie maanden van mijn opname ook stabiel – mijn toestand bleef immers opvallend lang (naar mijn mening) vrij slecht. En toch wordt dit niet bedoeld.

Een andere connotatie is dat stabiliteit betekent dat de persoon in een voor hem normale toestand verkeert. Een stabiel toestandsbeeld staat in deze gelijk aan geen toestandsbeeld. Dit roept echter vervolgens weer vragen op: is datgene wat normaal is voor de patiënt, ook normaal voor mensen zonder psychiatrische ziekte? Dit hangt misschien af van de ziekte, maar het is niet per definitie zo – in mijn geval zeker niet.

Daarnaast speelt hierbij de kwestie dat je niet weet of een patiënt nog zal verbeteren. Ik functioneerde een jaar geleden beter dan nu, dus ik mag niet hopen dat stabiliteit volgens mijn behandelaar betekent dat ik niet meer zal verbeteren.

In de praktijk merk ik dat “stabiel” een nogal arbitraire term is. Ik was “stabiel” toen ik niet meer suïcidaal was. Een ander is wellicht “stabiel” als hij uit een psychose is. Een ex-patiënt die was opgenomen met een ernstig slaapprobleem, was voldoende gestabiliseerd als hij zoveel nachten achtereen goed sliep. Het hangt dus van de individuele patiënt en de reden van zijn opname af wanneer je over stabiliteit spreekt. Ik weet niet of stabiliteit hetzelfde is als remissie, maar er zijn dezelfde, individueel te bepalen, criteria. Maar dit betekent ook dat de verwachtingen die je als hulpverlener van iemand hebt die het predikaat “stabiel” heeft, niet universeel te bepalen zijn.

Laat een reactie achter

Rehabilitatie in een tijd van onduidelijkheid

Had vanochtend een lange discussie c.q. gesprek met een verpleegkundige. Hij is de personificatie van de rehabilitatiegedachte op mijn afdeling, en bij hem betekent rehabiliteren/resocialiseren dat je geschopt wordt om dingen op te pakken waarvoor je niet gemotiveerd bent en waarvan je niet weet wat je ermee moet. Hij was me dus vreselijk aan het pushen om naar de activiteitentherapie te gaan, terwijl ik erg slecht geslapen had vannacht, er de afspraak is dat ik zelf bepaal of ik ga (en gisteren was ik uit eigen beweging gegaan en baalde dat de therapeut dacht dat ik alleen koffie kwam drinken terwijl ik iets wilde doen) en ik toch niks nuttigs zou doen als ik in deze toestand ging. Ik ben uiteindelijk gegaan en na veertig minuten koffie leuten en een beetje oude werkstukken van mij bekijken, weer naar de afdeling teruggegaan. De verpleegkundige was nog pissig dat ik niet het hele uur was gegaan ook.

Er zijn plannen om me naar een resocialisatieafdeling over te plaatsen. Ik heb voorlopig ermee ingestemd, maar wil wel heel duidelijk weten wat resocialiseren volgens die afdeling dan inhoudt. De verpleegkundige van vanochtend hield een verhaal over koken en schoonmaken, want ik moest volgens hem de zelfredzaamheid die ik had wel benutten. Voor de duidelijkheid: ik heb op het trainingshuis geleerd mijn appartement schoon te maken en een aantal recepten, die speciaal voor mij zijn aangepast, te koken. Ik kan deze vaardigheid tot op zekere hoogte generaliseren naar mijn hok – hiermee bedoel ik de puur praktische vaardigheid, niet de vraag of ik het aankon. Zo kan ik mijn wc schoonmaken, want een wc is een wc. Echter niet mijn badkamer, want mijn badkamer op mijn hok heeft een heel irritant randje rond de douche waardoor het onmogelijk is te dweilen zoals ik dat op het trainingshuis deed en er staat een wasmachine, waarvan ik geen idee heb hoe ik die schoon zou moeten maken. Ik kan stofzuigen als ik bijvoorbeeld geknoeid heb met koffie, omdat ik de basistechniek van het bedienen van een stofzuiger beheers, maar ik kan niet systematisch mijn hele huis stofzuigen, omdat ik hier (nog) geen systeem voor had. Eenzelfde redenatie zal gelden voor het toepassen van deze vaardigheid op de reso, waar je geacht wordt je eigen kamer schoon te houden (hier hebben we een schoonmaakster). Voor zover ik dat aankan op een bepaald moment, wil ik die vaardigheid oppakken. Maar ik ga geen uitgebreid nieuw systeem aanleren waar ik op lange termijn toch niks aan heb. En wat betreft koken: de verpleegkundige wilde mij in een kookgroep laten deelnemen, maar het is volstrekt zinloos mij in groepsverband te leren koken: ik kan niet zien wat er gedaan moet worden, de instructies zijn niet gedetailleerd genoeg voor mij, en/of ik raak overprikkeld door de groep en moet daardoor halverwege afhaken.

Maar ik ergerde me nog niet eens zozeer aan het feit dat de verpleegkundige wilde dat ik leerde schoonmaken en koken terwijl ik dat al kan. Meer aan de manier waarop hij voor mij bepaalde wat mijn resocialisatiedoelen zouden moeten zijn. Dat ik ze überhaupt moest hebben. Tot voor enkele dagen was ik niet van plan iets wat ook maar in de verste verte op resocialiseren leek te gaan doen anders dan dat wat strikt noodzakelijk is om mijn veiligheid en de orde in de maatschappij te waarborgen, voordat ik een vervolgplek had. Nu het er echter naar uitziet dat het nog wel jaren kan duren, ben ik het met de meeste verpleegkundigen eens dat ik niet al die tijd op mijn “luie” reet kan gaan zitten. Maar als ik iets wil oppakken, bedoel ik zelf meer dagactiviteiten. En onder het mom dat je eerst structuur moet opbouwen voordat je een dagbesteding kunt beginnen, kan het dan best wezen dat de verpleegkundige me naar therapie wil hebben – ervan uitgaande dat ik ook niks aan dagbesteding zou doen als ik nu al niet eens naar therapie ga. In zekere zin heeft hij daarin gelijk, in dat het toch niet gaat werken als ik nu “gewoon” een dagbesteding oppak en wel zal zien of ik er misschien over drie maanden net gewend ben en dan naar een woonvorm in Apeldoorn waar ik voor op de wachtlijst sta, moet. En zo’n cirkel kan jaren duren, als je gemiddeld misschien een maand van tevoren te horen krijgt wanneer er een plek vrij komt. Geef mij het keiharde antwoord dat het nog jaren zal duren en ik pak morgen dagbesteding op. Geef mij het antwoord dat er over drie maanden plek is, en ik besluit dat ik het dan niet de moeite vind dagbesteding op te pakken en dat ik de tijd liever besteed aan het regelen van mobiliteitstraining in de betreffende stad, het aanvragen van een geldige indicatie, het kennismaken met de medewerkers en het fine-tunen van mijn crisissignaleringsplan en afspraken over begeleiding. Maar er is geen antwoord en dat creëert voor mij een enorme onrust.

De verpleegkundige beweerde dat ik mijn capaciteiten en het gebrek daaraan onnodig afhankelijk maakte van de omstandigheden – waar ik geen invloed op heb -, omdat ik beweerde dat ik op mijn hok niet kon wat ik op het trainingshuis kon (en sommige dingen, de vaatwasser inruimen bijvoorbeeld, overigens op de afdeling wel kan en op het trainingshuis niet), en dat het niet de eerste keer is dat ik in een nieuwe omgeving heel andere dingen wel en niet kan, en dat ik daaraan schijnbaar onterecht de conclusie verbond dat ik niet wist welke capaciteiten ik heb. Ik snap het als hij bedoelde dat mijn hok niks gedaan heeft – alhoewel hij begon de begeleiding de schuld te geven. Als er iets of iemand verantwoordelijk is voor mijn crisis een halfjaar terug, ben ik het zelf. Hij zal ook best gelijk hebben dat mijn basiscapaciteiten niet ineens verdwenen zijn omdat ik in andere omstandigheden ben beland. Maar welke capaciteiten bedoel je dan?: de capaciteiten die ik had op het moment dat het het best met me ging op het trainiingshuis (wat best veel was, maar voor een korte periode), de capaciteiten die ik had eind oktober op mijn hok (wat ik toen kon, kan ik altijd, maar het is nogal weinig), het gemiddelde daarvan, de capaciteiten die ik op de afdeling heb laten zien, de capaciteiten die ik claim praktisch gezien te hebben, de capaciteiten die andere hulpverleners claimen dat ik heb, of de capaciteiten die iemand met het predikaat “stabiel” behoort te hebben? Hij weet mijn ervaring dat capaciteiten varieerden naar gelang de omstandigheden, aan afhankelijkheid van hulpverleners, maar een hulpverlener die vindt dat iets komt door afhankelijkheid van hulpverleners, is een contradictio in terminis. En trouwens: zo vreemd is het helemaal niet dat je onder stress niet alles kunt wat je in een normale toestand kunt. En dan komen we op het punt wat een andere verpleegkundige me een paar dagen geleden al zei, en waar ik bij zwoer toen ik net opgenomen zat: als je je kut voelt, wordt het alleen maar erger als je in je nest gaat meuren.

Maar als ik dan iets wil of moet oppakken om uit de cirkel van stress en piekeren en gebrek aan energie en niets doen en nog meer piekeren en nog minder energie te komen, waaorm moet dat dan per se zoiets zijn wat alleen maar energie van me vraagt, zoals schoonmaken (dat zou me energie moeten geven omdat het me voldoening zou moeten geven, maar mij doet het niks), of iets waarbij ik eigenlijk helemaal niets doe, zoals koffie drinken bij de therapie (of ik nou op de afdeling koffie drink, of bij therapie, maakt niks uit)? Uiteindelijk kon de verpleegkundige daar wel inkomen, en vroeg mij eerst tien en later vier dingen te noemen die ik leuk vond om te doen. Ik kwam tot 3 1/2 geloof ik, want wandelen telde maar half omdat ik dat niet altijd leuk vind (wat voornamelijk een kwestie is van niet in mijn eentje zomaar ergens gaan wandelen). Ik wil best weer dingen oppakken, maar iemand anders hoeft niet voor mij te bepalen wat dat – in mijn huidige situatie – moet zijn.

Laat een reactie achter

Geen (behandelbare) ziekte

Als je ziek bent, ga je naar de dokter. Zo simpel is het. Naar wat voor dokter je gaat, hangt af van je ziekte. Als je astma hebt, ga je naar de longarts. Als je hartklachten hebt, ga je naar de cardioloog. Als je een oogafwijking, hebt, ga je naar de oogarts. En als je een psychiatrische aandoening hebt, bezoek je de psychiater. De arts stelt een diagnose en doet een voorstel voor een behandeling. Maar wat als hij niks meer voor je kan doen?

Het beste voorbeeld hiervan is uiteraard mijn blindheid. Ik ben vanaf mijn geboorte zeer slechtziend. Toen ik nog in Rotterdam woonde, bezocht ik regelmatig het Rotterdamse Oogziekenhuis. Mijn oogarts controleerde me en stelde eventuele complicaties van mijn oogaandoening vast en behandelde die vervolgens, met meer of minder succes. Dit was tot ik in 1996 naar Apeldoorn verhuisde. Mijn ouders hadden op dat mometn besloten dat ik functioneel blind was en vonden verdere oogheelkundige controle niet nodig. Ik heb in de afgelopen twaalf jaar, misschien vier keer de oogarts gezien, waarvan altijd op één keer na het initiatief kwam van een blindeninstelling die standaard een oogheelkundig onderzoek uitvoert bij alle nieuwe cliënten. Die ene keer was in 2004, en achteraf heb ik geen idee waarom ik eigenlijk ging. Mijn moeder had twee weken daarvoor staar bij mij ontdekt (dit is een veelvoorkomende complicatie bij mijn oogaandoening), maar de algemeen geldende regel bij ons in huis was dat dit niet behandeld hoefde te worden omdat ik toch blind was. Maar de aanleiding dat ik feitelijk ging, was dat ik symptomen had die konden wijzen op verhoogde oogdruk (glaucoom). Mijn huisarts kon niets vinden, maar stuurde me voor de zekerheid toch door. Het bleek dat ik, voor zover het mogelijk was met de hand mijn oogdruk te meten (het apparaat dat de oogarts daar normaal voor gebruikt, werkte niet omdat mijn ogen te snel heen en weer bewogen), geen verhoogde oogdruk had. Verder vond hij het, net als mijn ouders en ik, niet nodig om mijn staar te behandelen. Tussen haakjes – niet letterlijk zo gezegd: wat deed ik in zijn spreekkamer?

In de psychiatrie kom ik dezelfde houding tegen. Hier is “stabiel” mijn predikaat, maar dit moet ik relatief zien tegen de achtergrond van het feit dat ik wel het syndroom van Asperger heb. Ik vind mezelf overigens niet zo stabiel – tenminste, ik mag hopen dat mijn huidige toestand niet mijn normale toestand is -, maar op de opnameafdeling ben je stabiel als je geen gevaar voor jezelf of anderen vormt. Vaak wordt met mij gecommuniceerd alsof Asperger mensen niets te zoeken hebben in de psychiatrie, omdat het niet om een psychiatrische aandoening zou gaan. Wat het wel is volgens deze mensen, varieert van een gedragsprobleem tot een verstandelijke handicap – ik heb liever de laatste connotatie dan de eerste. Op zich mag van mij de hele categorie pervasieve ontwikkelingsstoornissen verhuizen naar as II van de DSM, maar de connotatie bij stoornissen op as II is niet “niet psychiatrisch” maar “niet tot nauwelijks behandelbaar”. Voor mensen met autisme valt er geen toestandsbeeld in remissie te brengen, zoals dat gebeurt bij mensen met schizofrenie of een bipolaire stoornis. Dat wil niet zeggen dat er geen toestandsbeeld is – zoals mijn arts dit ooit onterecht tijdens een behandelplanbespreking zei.

Ik weet niet of ik naar de oogarts zou gaan als ik weer symptomen van glaucoom zou hebben. Ik heb vandaag een mail geschreven voor een mailgroep voor mensen met mijn oogaandoening met de vraag of er risico’s zijn als deze aandoening niet behandeld wordt, andes dan het verlies van het gezichtsvermogen – ik heb ooit begrepen van wel. En dat ik in een vervolgsetting ambulante behandeling zou zoeken van een autismeteam en dat ik niet blij ben met het vooruitzicht hier nog jaren mee te moeten wachten, lijkt niet tot de medewerkers van het behandelteam van mijn afdeling door te dringen. Ik weet niet wat ze dachten dat ik op die orthopsychiatrische woonvoorziening moest leren, maar ik vrees praktische vaardigheden die ik al had, want de hulpvragen die met mijn autisme samenhangen, mogen gerust nog een paar jaar wachten tot ik terecht kan bij een hulpverlener die zich wel interesseert voor een toestandsbeeld waar weinig aan in remissie te brengen is.

Laat een reactie achter

Duidelijke afspraken?

“We hebben er duidelijke afspraken over gemaakt.” Ik kan niet meer tellen hoe vaak verpleegkundigen me dit gezegd hebben, meestal als ik me blijkbaar niet aan één van die afspraken houd. Negentig procent van de tijd gaat het echter niet om afspraken met mij, en duidelijk zijn ze al helemaal niet.

De eerste keer dat ik me herinner dat een verpleegkundige aankondigde dat er duidelijke afspraken zouden worden gemaakt, bleek dat de volgende dag mijn behandelaar het time-outbeleid had ingesteld. Ze deelde het me mede, maar leek niet van plan naar mijn mening te luisteren. Daarnaast is er nooit afgesproken of vastgelegd – tenminste niet dat ik weet – welk gedrag wanneer aanleiding vormde tot afzondering. Met mij was hier best over te praten geweest, maar dat is niet gebeurd. Ik heb uiteindelijk toestemming gegeven voor de maatregel, maar mijn opmerking dat het met duidelijke afspraken wel kon, is geïnterpreteerd als dat ik het een goede stok achter de deur vond. “Om de groep te ontlasten en haar de verantwoordelijkheid voor haar gedrag terug te geven,” is het doel dat in mijn behandelplan (dat van 24 januari, toen ik nog geen toestemming gegeven had) stond. Als ik in die tijd naar concrete afspraken vroeg, kreeg ik een vaag antwoord à la: “Nou ja, als je bijvoorbeeld schreeuwt of met de deur smijt, je kent dat gedrag wel.” Is het vreemd dat ik, toen ik twee weken nadat de maatregel was ingesteld, een keer schreeuwde, vreesde linea recta de time-out in gestuurd te worden?

Maar het gaat niet alleen om middelen en maatregelen, waarover overigens officieel duidelijke afspraken moeten zijn opgenomen in het behandelplan – maarja, we hadden al gezien dat mijn afdeling het niet zo nauw neemt met de regels rond M&M. Als er afspraken moeten worden gemaakt over mijn gedrag, wordt daarbij zelden naar mij geluisterd, en de eenzijdige mededeling is bovendien vaak erg vaag. Zo kwam ik een paar dagen geleden bij het verpleegkundig kantoor. Ik weet niet meer precies waar het over ging, maar ik was behoorlijk onrustig en herhaalde (als ik me het goed herinner) vaak dezelfde opmerkingen en vragen. Op een gegeven moment deelde een verpleegkundige me mede dat ik te ver ging en weg moest gaan, want er waren “duidelijke afspraken”. De volgende dag heeft ze met mij de afspraak gemaakt dat ik me alleen tot één verpleegkundige mocht richten om een afspraak te maken voor een gesprek, in plaats van steeds bij kantoor te komen en constant in herhaling te vallen en onrustig te worden als ik geen (duidelijk) antwoord kreeg. Daar kan ik me in vinden: ik heb de neiging vaak dezelfde dingen te herhalen als ik onrustig ben, en als ik het dan voor mijn gevoel niet kan afronden, blijf ik erop doorgaan. Misschien bedoelde ze dat, maar die afspraak was toen nog niet gemaakt – in ieder geval niet met mij -, en haar mededeling was allerminst duidelijk.

Soms komt het me voor alsof duidelijke afspraken maken voor verpleegkundigen zoiets is als grenzen stellen. Op zich is dat natuurlijk het doel van de afspraken: het beheersen van problematisch gedrag van de patiënt. Maar het is niet hetzelfde. Een soortgelijke situatie had ik ongeveer een jaar geleden op het trainingshuis. Ik had (en heb nog steeds, maar minder) de neiging om erg veel tijd van begeleiders te claimen, omdat ik in mijn hoofd een onderwerp niet goed kon afsluiten. Dit veroorzaakte natuurlijk een probleem, omdat andere cliënten ook aandacht verdienen en de begeleiding ook nog moet rapporteren. Toen ik het hierover had met mijn persoonlijk begeleider en mijn SPV’er (sociaal psychiatrisch verpleegkundige), deelde mijn begeleider mede dat ze er grenzen aan moesten stellen. De tijd voor ons gesprek was bijna om, dus het bleef bij de mededeling en er kwam geen duidelijke afspraak met mij. Op zich begreep ik de noodzaak van grenzen stellen in dit geval, maar op deze manier had ik geen idee hoe ik binnen de grenzen ging functioneren: op deze manier kon een begeleider me bij wijze van spreken midden in een zin onderbreken omdat de tijd op was, en dan zou ik misschien juist gaan flippen. Ik stelde dus voor dat we aan het begin van een gesprek zouden afspreken hoeveel tijd er ongeveer voor dit gesprek stond, en dat de begeleider me zou herinneren als de tijd bijna op was, zodat we eventueel een vervolgafspraak konden maken als het nodig was. Vanaf dat moment kon ik me vrij goed aan de tijd houden.

Ik respecteer de grenzen die een verpleegkundige of begeleider stelt – als ik ze redelijk vind, en daarvan kun je me prima overtuigen -, maar ik moet ook weten hoe ik met mijn mogelijkheden en beperkingen ga functioneren binnen die grenzen. Anders ga ik me toch niet gedragen zoals je wilt, of vervang ik het ene ongewenste gedrag door het andere. Duidelijke afspraken zijn prima om problematisch gedrag zoveel mogelijk te voorkomen, maar een eenzijdige mededeling is geen afspraak een duidelijk is niet hetzelfde als streng.

Laat een reactie achter

Fixatie

Tot ik recentelijk meer ging lezen over middelen en maatregelen, dacht ik dat vastbinden van patiënten uit de tijd was. Nu blijkt dat het gewoon nog gebeurt. Alleen is er voor het gemak een politiek correcte term voor bedacht: fixatie.

Wat is fixatie?

Fixatie is het beperken van de lichamelijke bewegingsvrijheid om gevaar te voorkomen c.q. af te wenden. De patiënt wordt met onrustbanden (die om de buik bevestigd worden) en eventeel pols- en/of enkelbanden vastgebonden op een matras, bed of stoel. In de psychiatrie wordt fixatie in principe toegepast in combinatie met afzondering of separatie (het moet dan wel als een dubbele maatregel worden geregistreerd!). In het verpleeghuis wordt een patiënt vaker op zijn eigen bed gefixeerd, omdat hier het gevaar vaak bestaat uit valincidenten of dwalen. Fixatie kan ook worden uitgevoerd door een patiënt in een diepe stoel of kantelstoel te plaatsen, waar hij niet op eigen kracht uit kan opstaan.

Waarvoor dient fixatie?

Uiteraard is fixeren alleen toegestaan om gevaar voor de patiënt zelf of de omgeving te voorkomen danwel af te wenden. Het kan bijvoorbeeld gaan om ernstige psychomotore onrust, agressie naar anderen of een niet te bedwingen neiging tot automutileren. Het moet wel nagegaan worden of andere methoden beter kunnen worden gebruikt, zoals medicatie. Fixeren is een ingrijpende maatregel die mogelijk grote lichamelijke risico’s met zich meebrengt en de onaantastbaarheid van het lichaam schendt. Het is dus zaak de maatregel alleen toe te passen als dit echt noodzakelijk is. Uiteraard moet fixatie zo kort mogelijk worden toegepast. Bij een langer durende fixatie moet uitdrukkelijk worden overwogen of bijvoorbeeld medicatie een beter alternatief is.

Procedure

Een arts heeft eindverantwoordelijkheid voor het besluit tot fixatie. Als dit besluit in een noodsituatie door verpleegkundigen wordt genomen, moet uiteraard de arts zo snel mogelijk op de hoogte gebracht worden. Bij fixatie conform een behandelplan meldt de verpleging aan de arts dat er conform het beleid over is gegaan tot fixatie.

Wat betreft de procedure is het zaak dat er minimaal twee verpleegkundigen de patiënt fixeren. Bij een niet-coöperatieve patiënt kan eventueel meer assistentie worden ingeroepen. Het is ook belangrijk om zorgvuldig te controleren of het fixatiemateriaal goed is aangelegd. Het mag niet te strak zitten, maar ook niet te los (voor onrustbanden moet een platte hand tussen de band en de huid kunnen) en het mag nooit gedraaid zitten. Als de patiënt in een kantelstoel gezet wordt om hem te beletten op te staan, moet deze voor hem worden aangemeten door een ergotherapeut. Controleer tijdens de fixatie goed op eventuele lichamelijke complicaties. De ledenmaten moeten regelmatig bewogen worden.

Rechten van de patiënt

Net als elke patiënt heeft een gefixeerde patiënt recht op informatie over zijn behandeling. Vertel dus altijd wat je gaat doen en geef de reden aan. Een patiënt die gefixeerd is, mag ook altijd de PVP’er, advocaat, rechter, inspecteur of andere justitiële autoriteit ontvangen. Over ander bezoek, telefoneren en dergelijke moeten individuele afspraken worden gemaakt met de patiënt.

Laat een reactie achter

Medisch tuchtrecht

Medisch tuchtrecht is bedoeld om aan artsen, verpleegkundigen, GZ-psychologen en andere gezondheisprofessionals sancites te kunnen opleggen als zij medische fouten maken. De patiënt of zijn familie kan een klacht indienen bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, dat vervolgens bepaalt of de klacht gegrond is. Ook de werkgever (zorginstelling) of de Inspectie voor de Gezondheidszorg kan de hulpverlener voor de tuchtrechter dagen.

Straffen

Het tuchtcollege bepaalt of de klacht gegrond is. Als dat zo is, kan het College een maatregel opleggen. Het College mag zelf bepalen welke maatregel het oplegt, en houdt hierbij geen rekening met de eisen of wensen van de klager. Maatregelen zijn:


  • Waarschuwing
  • Berisping
  • Geldboete (te betalen aan de Staat)
  • Schorsing voor een bepaald eperiode, maximaal een jaar
  • Gedeeltelijke ontzegging
  • Doorhaling van de BIG-registratie, waardoor de persoon het beroep niet meer kan uitoefenen

Het tuchtcollege kan geen schadevergoeding toekennen; vordering hiertoe moet via de civiele rechter of in een enkel geval via de strafrechter.

Vanuit cliëntenperspectief is een waarschuwing of berisping een lichte maatregel. De arts of andere hulpverlener heeft vaak ernstige fouten gemaakt, en toch wordt hij “alleen maar berispt”. Echter voor een professional is het erg ingrijpend om door het tuchtcollege op de vingers getikt te worden.

Overigens heb ik me altijd verbaasd over de redenen die het tuchtcollege hanteert om een klager niet-ontvankelijk te verklaren. Eind 2003 was ik hoogst verbaasd toen het Regionaal Tuchtcollege in Groningen Volkert van der G. niet-ontvankelijk verklaarde, toen hij de psychiater die dacht hem via de media het etiket stoornis van Asperger te kunnen opplakken, voor het College had gedaagd. De reden was dat er geen sprake van een arts-patiëntrelatie was.

Daarnaast worden klachten vrij vaak ongegrond verklaard, terwijl andere medici vinden dat er wel degelijk fouten zijn gemaakt. Hierover hoor je veel in Missers, het AVRO-programma over medische fouten. Soms zijn de wegen van het medisch tuchtrecht ondoorgrondelijk.

Laat een reactie achter

Separatie

“We zijn even een kwartiertje naar beneden,” meldde een verpleegkundige aan mij en een andere patiënt, terwijl we in het rookhok zaten. Een medepatiënt was net gigantisch geflipt, dus wij voelden op onze klompen aan dat ze gesepareerd zou worden. Ik zit op één van de twee gesloten opnameafdelingen van de GGZ, maar op mijn afdeling zijn geen separeercellen. Een patiënt die gesepareerd moet worden, moet naar de andere gesloten opnameafdeling gebracht worden om daar in de separeercel gezet te worden. Inderdaad meldde de verpleegkundige bij terugkomst dat dit was gebeurd. Ik bediscussieerde met de medepatiënt in het rookhok het beleid. Dit is verder niet relevant, omdat de achtergrond van de gesepareerde patiënt mij al niks aangaat, en de lezers van dit weblog zeker niet. Toch ben ik geïnspireerd om deze maatregel te belichten.

Wat is separatie?

Separatie is het insluiten van een patiënt in een speciaal daarvoor bedoeld separeerverblijf. Veel mensen, inclusief ikzelf, verwarren separeren met afzonderen, maar separatie gaat verder. Een afzonderingskamer is nog relatief normaal ingericht, met op mijn afdeling een bed, een kast, een poef om op te zitten en sanitaire voorzieningen (waarbij het enige verschil wat ik gemerkt heb, is dat de wc en wastafel van metaal in plaats van steen zijn). In een separeercel bevinden zich doorgaans alleen een matras en een kartonnen po. Verder moet iemand die gesepareerd is, speciale kleding dragen (het zgn. scheurhemd), terwijl iemand in de afzonderkamer in principe zijn eigen kleding aan mag houden.

Waarvoor dient separatie?

Net als alle andere middelen en maatregelen is separatie alleen bedoeld om ernstig gevaar voor de patiënt zelf of zijn omgeving af te wenden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gevaar dat de patiënt zichzelf of anderen (medepatiënten of verpleging) ernstig lichamelijk letsel toebrengt, maar het kan ook gaan om een zodanige verstoring van het leefmilieu op de afdeling dat andere patiënten ernstig nadeel ondervinden. Separatie mag dus niet als straf gebruikt worden of zo worden uitgelegd. Separeren mag alleen gebeuren als er geen alternatieven meer zijn. Overweeg dus eerst lichtere maatregelen.

Hoe is de procedure om te separeren?

Er zijn, net als bij andere middelen en maatregelen, twee situaties waarin iemand gesepareerd kan worden: als dit in zijn of haar behandelplan is vastgelegd, of als er zich een acute noodsituatie voordoet. In het eerste geval beslist de verpleging op basis van het beleid in het behandelplan wanneer tot separatie moet worden overgegaan. De verpleegkundige stelt daarna de behandelend arts, die het beleid samen met de patiënt heeft vastgesteld, hiervan op de hoogte, en spreekt af wanneer deze langs de afdeling komt om zich verder op de hoogte te laten brengen. Als de patiënt zich tegen het separeren verzet, is uiteraard sprake van dwangbehandeling. In het geval van een noodsituatie beslist de verpleging dat separatie nodig is. Hierbij is nog geen beleid vastgelegd in het behandelplan. De verpleegkundige moet dus zo snel mogelijk de behandelend danwel dienstdoend arts in kennis stellen, die de eindverantwoordelijkheid overneemt. Separatie in geval van een noodsituatie mag niet langer duren dan zeven dagen. Gebeurt dat wel, dan moet de maatregel in het behandelplan worden opgenomen en is ofwel sprake van M&M-akkoord (als de patiënt toestemming geeft) ofwel van dwangbehandeling.

Iemand wordt meestal in eerste instantie voor een halfuur tot een uur gesepareerd. Is er daarna geen verbetering in de geestelijke toestand van de patiënt die het mogelijk maakt dat hij weer op de afdeling komt, dan wordt afgesproken wanneer opnieuw beoordeeld moet worden of het separeren kan worden beëindigd. Als separatie langer duurt dan twee uur, moet een begeleidingsplan worden opgesteld. Duurt de separatie langer dan 24 uur, dan moet iedere dag overwogen worden of het begeleidingsplan herzien moet worden en of de maatregel eventueel beëindigd kan worden.

Rechten van de gesepareerde patiënt

De patiënt in de separeercel heeft, net als anderen, recht op informatie over zijn behandeling en begeleiding. Als de patiënt bijvoorbeeld (dwang)medicatie krijgt, moet hij geïnformeerd worden over welke medicatie, dosis, toedieningsvorm, te verwachten effect en eventuele bijwerkingen. Als in het separeerverblijf cameratoezicht is, moet de patiënt hier uiteraard van op de hoogte worden gebracht. Als hij zich hiertegen verzet, moet de verpleging beargumenteerd aangeven waarom de monitoring toch wordt gebruikt. Afspraken met patiënt over zijn gedrag, verpleegkundige controle (minimaal eenmaal per uur), lichamelijke verzorging, etc. moeten duidelijk worden gemaakt.

Soms heeft een gesepareerde patiënt recht op bezoek. Dit hangt van de individuele situatie af. De bezoekers (maximaal twee tegelijk) gaan in het separeerverblijf, vergezeld van verpleging. De taak van de verpleegkundigen is het bieden van bescherming. De PVP’er (patiëntenvertrouwenspersoon), advocaat, rechter, inspecteur of andere justitiële autoriteit heeft altijd toegang tot de patiënt. In principe moet de verpleegkundige in de sluis blijven wachten terwijl deze persoon het gesprek met de patiënt voert, maar indien gewenst kan de verpleegkundige ter bescherming meegaan in het separeerverblijf. De patiënt moet echter wel in privacy kunnen spreken.

Natuurlijk gaat het bij deze informatie om de officiële richtlijne. Niemand garandeert mij dat in de praktijk volgens een dergelijk protocol wordt gewerkt. Maar aangezien ikzelf nog nooit gesepareerd ben, kan ik hier geen oordeel over vellen.

Laat een reactie achter

Taakverschuiving in de zorg

Verpleegkundigen en verzorgenden nemen steeds meer taken over, die tot voorheen niet tot hun bevoegdheden behoorden – zoals het feit dat verpleegkundigen of verzorgenden medische handelingen verrichten of verzorgenden verpleegtechnische taken overnemen. Dit blijkt uit diverse peilingen onder de leden van het Panel Verpleegkundigen en Verzorgenden (NIVEL/LEVV). Het valt me vooral op hoeveel verpleegkundige of medische handelingen door verzorgenden worden uitgevoerd. Van de leden van het panel heef tmaar een kwart de opleiding tot verzorgende IG, waardoor ze gekwalificeerd zouden zijn om in opdracht verpleegtechnische handelingen uit te voeren. Zelfs voorbehouden handelingen worden door verzorgenden uitgevoerd. Dit zijn als ik he t goed begrijp handelingen waarvoor de mogelijkheid om ze van arts op verpleegkundige over te dragen, is geregeld in de wet BIG.

Op zich is het niet slecht dat verpleegkundigen en verzorgenden taken overnemen die zij voorheen niet uitvoerden of mochten uitvoeren. Maar hierbij is het wel zaak, als je het mij vraagt, dat de verpleegkundigen en verzorgenden geschoold zijn in deze handelingen. Waarom bestaat überhaupt de opleiding verzorgende IG, als ook verzorgenden zonder deze deelkwalificatie, verpleegtechnische handelingen (mogen) uitvoeren? Door maar zomaar toe te laten dat men steeds meer handelingen overneemt waarvoor men eigenlijk niet gekwalificeerd is, stimuleer je alleen dat de gastvrouw (die als je geluk hebt de opleiding tot helpende niveau 2 heeft gevolgd, maar meestal zelfs dat niet) verpleegkundige handelingen gaat uitvoeren. Ik was blij toen ik merkte dat een stagiaire helpende, die helaas alleen met een invalkracht werkte op de woonvorm waar ik in het weekend soms mee-at toen ik nog op mijn hok woonde, weigerde een cliënt zijn medicatie te verstrekken, omdat zij dat met haar opleiding niet mag. De invalkracht, die het schijnbaar eigenlijk ook niet mocht, heeft het uiteindelijk maar gedaan. Ik moet trouwens zeggen dat ik het belachelijk vond dat een stagiaire niveau 2 niet boventallig was ingeroosterd en als volledig medewerker kon meedraaien, maar oké. Ik vraag me werkelijk af of dit de manier is om het personeelstekort in de zorg op te lossen. Eerder een manier om de cliëntveiligheid in gevaar te brengen als je het mij vraagt.

Laat een reactie achter

Oudere Berichten »